100-jarig jubileum Begrafenisvereniging De Laatste Eer Lioessens

LIOESSENS

Hoewel er gewoonlijk niet veel te vieren valt bij een begrafenisvereniging, besloot Begrafenisvereniging Lioessens toch even stil te staan bij zijn 100-jarig jubileum. Dat gebeurt op vrijdag 25 mei in de Hervormde Sint Petruskerk waar onder andere de tentoonstelling Memento Mori van Bote van der Schaaf is te zien en een optreden van Advendo. De luchtige noot vindt plaats in de Gearkomst met een optreden van Klún en Knoffelhakke.

Genoemde tentoonstelling is overigens samen met oude foto’s en films nog het gehele weekend in de Hervormde kerk te zien. Terecht staat de vereniging even stil bij zijn eigen jubileum want het maatschappelijk en sociaal belang van de vereniging is in die eeuw groot geweest. ‘Een dierbaar pand aan de schoot der aarde toevertrouwen’ zo was toen het streven en dat is het nog altijd.

De datum 14 mei 1918 wordt genoemd als officiële dag van oprichting en op de eerste jaarvergadering was het aantal leden 121. Nu zijn het er 216 leden met een opvallend jonge voorzitter Adol Braaksma. Braaksma is vorig jaar voorzitter geworden. ,,Ik wie 29 jier doe’t sy my fregen foar it bestjoer, ik fûn it prima. Mar op de fergadering woe gjinien foarsitter wurde, dus bin ik it mar wurden.’’

Het is even wennen, een gesprek over een begrafenisvereniging met op de achtergrond een levensgrote ooievaar die dit jaar de komst van een dochter heeft aangekondigd in huize Braaksma. Hij schat het aantal jaarlijkse vergadering op drie of vier per jaar dus het is te behappen. ,,Allinne dit jier wat faker yn ferbân mei it jubileum.’’ Alleen de penningmeester heeft er altijd veel werk van, zo zegt hij.

Waarom in de huidige tijd lid worden van een begrafenisvereniging, zo kun je je afvragen. Volgens Braaksma biedt een begrafenisvereniging nog altijd een persoonlijk getint alternatief voor ‘grote jongens’ als bijvoorbeeld Yarden. Tegenwoordig genieten de begrafenisverenigingen bescherming doordat ze het predicaat ‘cultureel erfgoed’ hebben gekregen.

Bovendien zijn alle begrafenisverenigingen aangesloten bij de Friese Federatie van Begrafenisverenigingen. Het hoofdbestuur van deze federatie houdt de vinger aan de pols en controleert één keer in de drie jaar of een vereniging nog ‘gezond’ is in financieel opzicht.

Wie lid wil worden is jaarlijks als gezin dertig euro kwijt en individueel kost het vijftien euro. ,,Wy ha krekt de tariven wat ferhege’’, zo zegt Braaksma. Een begrafenis voor leden scheelt al gauw zo’n 800 euro vergeleken met de prijzen van de landelijke uitvaartbedrijven. Overigens moet je wel een band hebben met Lioessens wil je een plekje krijgen nabij de Sint Petruskerk in het dorp.

Belangrijker nog dan het geld is natuurlijk de persoonlijke benadering van bijvoorbeeld een bode. Jannie van der Wagen is nu ruim twintig jaar bode, maar toen Sip Bos haar in 1996 vroeg om tweede bode te worden moest ze naar eigen zeggen wel even slikken. ,,Sjoch ik kaam net út de soarch, ik ha altiten by de slachter wurke.’’ Maar de aloude roeping van ‘burenplicht’ won het van de twijfel. En nu zegt zij: ,,It is it moaiste wurk dat der is.’’

Van der Wagen heeft natuurlijk vele voorgangers gekend. Om enkele te noemen, Jan Holwerda, Sip Bos, Jan de Graaf, Lammert Marra, Germ Wijtsma, Jan Elzinga en Jan Adema. De eerste bode van De Laatste Eer was de heer H. Woudwijk die in 1922 bedankte voor de eer. De reden was bijzonder, hij had gevraagd om een overjas en het bestuur wilde dit niet. Uiteindelijk sprak iemand volgens de notulen de wijze woorden: ,,Als dat de reden moet zijn voor ontslag, geef hem dan een jas.’’ In die eerste jaren was de bode tevens leedaanzegger, zoals dat toen werd genoemd. Met een zwarte jas bij de voordeur vanaf papier zeggen ‘Namens de familie…’ gevolgd door de naam en een bedankje dat je als aanhoorder hebt willen luisteren.

Het is alweer bijna twintig jaar geleden dat de nu 82-jarige Marten Kuipers een functie had binnen de begrafenisvereniging. Hij was onder andere drager en voorzitter, een beetje erfelijk belast want ook zijn vader is bode geweest. Vergelijkbaar maar toch anders was bijvoorbeeld het in 1897 opgerichte ‘Kistenfonds’ dat als voorloper van de begrafenisvereniging kan worden beschouwd.

Kuipers weet nog dat er speciaal kleine draagriemen waren voor de kleine kinderen. Ook herinnert hij zich de tweedehands jassen die zij moesten dragen. ,,Faak pasten dy jassen net dan moasten wy se iepen hâlde. Sels hie ik altiten galgen om, oars sakke de broek ôf.’’ Een ander probleem was het aflopende kerkhof. ,,Dan stienen wy mei acht man om de baar, it tsjerkhôf wie net flak, dy achterste mannen krigen dan alles op de bealich.’’

Dat alles is voorbij, tegenwoordig is het vaak een combinatie van familie en dragers terwijl de kist niet vaak meer ‘fan hûs út wei’ richting kerkhof gaat. De aula’s of het ziekenhuis met koeling hebben het overgenomen, hoewel thuis opgebaard liggen tegenwoordig weer steeds vaker voorkomt. In het verleden ging de overledene naar het baarhuisje op het kerkhof als het qua geur ‘echt niet meer ging’, zoals Van der Wagen het uitdrukt.

Vroeger en nu, Van der Wagen: ,,Jierren lyn doe’t it kistenfûns al opheven wie, belle in frou, dy soe opereare wurde. Dy frege ‘Wa betellet de kiste as ik dea gean?’ Wy ha doe útlein dat dit fûns (kistenfonds) net mear bestie….’’ Of die brief waarin de begrafenisvereniging wordt bedankt voor alles wat er voor haar is gedaan. Vroeger en nu, een zekere wijlen Vic Beets bracht dat verschil als volgt onder woorden:

Eens was 't leven een scheepsreis, een reis langs de kust,

Met een lieflijke droom van een haven der rust.

Nu een reis met de sneltrein, steeds verder, steeds voort,

tot de stoomketel springt en de wagen ontspoort.

Rynk Bosma