Funderingskeien van de abdij naar het museum

DOKKUM

Even leek het erop of ze vernietigd zouden worden, maar onlangs zijn drie grote keien, die rond 1050 gebruikt zijn om de ooit vermaarde Bonifatiusabdijkerk in Dokkum te funderen, naar het Museum Dokkum gebracht.

Het balletje begon te rollen toen Ihno Dragt, directeur van het Museum Dokkum, de vorderingen ging bekijken op de Markt van Dokkum ten behoeve van de 11de fontein van Fryslân: de IJsfontein van Birthe Leemeijer. Hij zag dat er keien waren gemetseld in de nieuwe muurtjes ter plekke van de afgebroken abdijtoren. De suggestie wordt daarmee gewekt dat de toren gefundeerd was op keien, maar in tegenstelling tot de abdijkerk zelf, was dat niet het geval. Misschien, zegt Dragt, was dat juist een belangrijke reden dat de Dokkumer abdijtoren, net als de Oldehove in Leeuwarden, sterk overhelde. Abdij en toren zijn sinds lang afgebroken en hun contouren worden nu aangegeven in de bestrating van de Markt.

De plaatselijke Stuurgroep van het 11 Fonteinenproject, waar Dragt lid van is, werd steeds door de gemeente goed betrokken bij de plannen voor de Markt, maar dit was nieuw. En daarom trok de museumdirecteur, die juist een boek heeft geschreven over de opgravingen op de Bonifatiusterp, aan de bel bij de gemeente.

Toen werd hem verteld dat deze kleine keien hoorden bij de oorspronkelijke abdij en tevoorschijn waren gekomen bij het graven van een diep gat ten behoeve van de ijsfontein. “Maar er zijn ook nog een stuk of vier grote keien naar een terrein van de BAM gebracht om verpulverd te worden ”. Voor die grote keien was geen plek gereserveerd in het ontwerp van de Markt en dus waren enkele kleine maar ingemetseld in een paar muurtjes. Maar er bleken er echter veel meer dan vier grote keien te zijn. En toen Dragt van iemand van de BAM hoorde dat die ook niet beter wist dan dat ze opgeruimd zouden worden, heeft Dragt een mail gestuurd naar de leden van de Stuurgroep en de gemeente.

Uiteindelijk kreeg hij te horen dat de stenen niet vernietigd gingen worden maar eerst op een gemeentelijk terrein zouden worden opgeslagen en is hij uitgenodigd om na de vakantie mee te denken over een definitieve plaats ervoor. Voor hem is er overigens maar één plek mogelijk en dat is op de Markt zelf.

Vooruitlopend daarop heeft Dragt toestemming gekregen een aantal stenen onder hoede van het museum te brengen. Hij wil daar voor het publiek een uitleg bij zetten dat ze in de 11de eeuw over ongebaande wegen of over het water, vanuit Drenthe misschien, naar Dokkum zijn vervoerd om daar de eerste stenen kloosterkerk te funderen. Ook gaat hij proberen fondsen te vinden om er petrografisch onderzoek naar te doen. Bij zo’n onderzoek aan slijpplaatjes van de desbetreffende steen kan men nauwkeurig de herkomst en het soort steen vaststellen. Heel opvallend, vond de BAM-medewerker, dat hij nog nooit zo’n grote verscheidenheid van stenen bij elkaar had gezien. Misschien dat het petrografisch onderzoek daar mede een antwoord op kan geven. Verder lijkt het erop dat sommige van deze zwerfkeien aangepast werden om ze beter passend te maken in de fundering. Ook dat is interessant om nader uit te zoeken. We hebben het hier per slot van rekening over keien die zo’n 1000 jaar geleden bij de bouw van de beroemde abdijkerk gebruikt werden.