Portretten en impressies Goddeloze Singel Singel in expositie ‘Cees Booij, 80 jaar’ in ‘eigen’ Museum Dokkum

Cees Booij exposeert recent werk ter ere van zijn tachtigste verjaardag. Foto Jelle Raap

Kleinzoon Friso opent vandaag in Museum Dokkum de expositie ‘Cees Booij, 80 jaar’. De Dokkumer kunstenaar, die ook vrijwilliger is in het museum, exposeert recent werk ter ere van zijn tachtigste verjaardag op 8 maart. De expositie omvat 28 schilderijen die Booij de laatste drie jaren heeft vervaardigd.

Lessen over licht en lucht komen automatisch voorbij in een gesprek met ‘ochtendmens’ Cees Booij. Een dertigtal jaren trok hij met zijn vader Theo het veld in. ,,Vader werkte het liefst buiten. Dan stonden we rond zes uur ergens bij de Goddeloze Singel bomen te schetsen tot half acht. Daarna schilderden we ze, in de ochtendzon. De lichtwerking is ’s middags plat of kleuren gaan verloren.” De ochtendstond heeft dus goud in de mond. ,,Na een uur of tien ’s ochtends ben je de sfeer kwijt. De impressies moet je dan al verwerkt hebben.”

Eerlijkheidshalve geeft hij aan nu niet meer rond zes uur in het veld op verkenning te gaan. ,,Vaak is het nu vanaf tien uur tot twee of drie uur, maar zonder onderbreking. Ik eet ’s middags niet, maar drink wel koffie. Dat zal wel Brabants zijn”, zo geeft hij aan over zijn afkomst uit Breda. ,,De koffie stond vroeger thuis altijd klaar. Als iemand thee wilde, was er al snel de vraag wie er ziek is.”

Locaties bij de Goddeloze Singel in Broeksterwâld heeft hij altijd als inspirerend ervaren. Groot verschil met zijn jongste periode is dat hij nu buiten korter schetst, deze eventueel aanvult met foto’s en daarna in zijn atelier aan de slag gaat. ,,Ik heb nog redelijk power. Tachtig jaar is niet jong en toch voel ik me geestelijk jong en geef nog les aan de Foudgumse School.’’ Het puur en intensief werken kan hij naar eigen zeggen nu maximaal vier tot vijf uur volhouden.

Schoon werken

De invloed van tijd doet zich bij Cees Booij ook anderszins gelden, doordat hij in de puberteit al werd meegezogen in de werksfeer van zijn opa Cornelis Booij (1885-1965). Deze heeft zich in Breda ontwikkeld van huisschilder tot leraar tekenen en kunstschilder met decorkunst voor theaters en reclametekenen als specialisaties.

,,Als mijn vader het niet wist, zei hij: ga maar naar opa. En een grootvader als de mijne had alle tijd voor mij.” Zijn grootvader signeerde schilderijen en tekeningen met C. Booij (1885-1965), zijn vader met Th. Booij (1916-2003) en de Dokkumer docent en schilder simpelweg met Booij.

Rembrandt: meester of leerling

Bijna iedereen kent het tv-programma Tussen Kunst & Kitsch waarin soms unieke schilderijen worden aangeboden met de hamvraag: is het van een meesterschilder, een leerling of is het een kopie?

Zo haalde Cees Booij vanuit een kritische houding ooit zijn schouders op bij een schilderij dat aan Rembrandt werd toegedicht. Jaren later zou hij het gelijk aan zijn kant krijgen. ,,Het bleek uiteindelijk geen Rembrandt te zijn, maar het werk van een leerling van hem.”

Hoe hij zo vasthoudend kon zijn in de wereld van experts over juist dit portret kan hij uitleggen: ,,Elke verflaag heeft zijn eigen drogingscoëfficiënt. Rembrandt wachtte soms wel vier maanden voor hij een nieuwe laag aanbracht. En er geldt altijd dat je vet over mager aanbrengt en mager over vet na het tussenvernissen. In deze situatie zag je echt aan de huid dat het geen echte Rembrandt was. Rembrandt werkte in lagen en daarbij zag je de opbouw van de huid met een bloed doorlopend karakter: met meer reliëf. Dit soort detailleringen geeft aan hoe de verfbehandeling is geweest. Als je de lagen geen tijd gunt voldoende te drogen, krijg je eerder barsten. De rustperiodes zijn bij het schilderen dus ook van groot belang.”

De periode van paletten en penselen in de familie loopt wellicht ten einde. ,,Er is niemand in de familie die in mijn voetsporen treedt als schilder.” De tips die hij van zijn opa cadeau kreeg, kan hij evenwel als docent dankbaar gebruiken. ,,Mijn grootvader werkte vaak in driedelig pak achter de ezel. Hij wist schoon te werken, zonder te kliederen. Als ik klaar ben, worden penseel en palet meteen schoon gemaakt. Het penseel komt dan eerst in de peut - de terpentine - en daarna is het een kwestie van zeep. Je moet ook als schilder met schone handen kunnen werken.”

Inleven

Bijzonder ingenomen blijft Cees Booij ook met levenslessen die hij al jong van een leraar ontving. ,,Ik kan je niet leren schilderen of leren tekenen, zei deze ronduit. Als het talent er is, kan ik helpen het te ontwikkelen. Het is vooral een kwestie van kijken naar wat je gedaan hebt. Je moet jezelf continue vragen stellen: over de vlakverdeling, over de kleuren en over het gebruik van de verf.”

Bij het bezichtigen van een expositie of van een los schilderij raadt hij aan de hersenactiviteit op een laag pitje te zetten. ,,Bij het kijken naar een onderwerp moet kijken zien worden en zien moet begrijpen worden. Pas als je iets begrijpt, heb je de mogelijkheid het goed weer te geven. Je moet het lef hebben los te laten waar je mee bezig bent. De waarschuwingen vanuit je hersenen moeten niet betuttelend zijn. Het schilderij moet”, zo duidt hij de dieptewerking kortweg aan, ,,binnenkomen daar waar het kán binnenkomen.”

Een hand op het hart is daarbij veelzeggend, maar niet alleszeggend. Een gedegen opleiding zoals hij in onder meer Groningen en Tilburg heeft genoten, spreekt naar zijn zeggen zonder meer mee. Na de Kunstacademie in Tilburg, waar hij zijn latere echtgenote Hiske van der Sande leerde kennen, volgde hij een MO-B-opleiding op Minerva te Groningen. Daarnaast studeerde hij Filosofie en Kunstgeschiedenis.

Tussendoor moest hij volgens de vaste regels van toentertijd zijn militaire dienstperiode vervullen. Hij kwam aanvankelijk bij de luchtmobiele brigade of in yuppietaal ‘de stoottroepen’ terecht en later bij het 47ste Pantserinfanterie Bataljon ( kortweg 47e PaInfBat .) in Steenwijkerwold/Havelte. Voor een legerpredikant mocht hij in diens eigen lokaal een muurschildering maken van een bijbelse voorstelling. ,,Het werd Petrus in de boot als visser om de netten binnen te halen.” Volgens het evangelie van Johannes waren die netten zo zwaar van overvloed dat de boot bijna zonk.

Fryslân bevalt goed

Na hun huwelijk in 1965 kreeg Cees Booij een betrekking als tekendocent bij het Oostergo-lyceum en daarna bij het hieruit voortvloeiend Dockinga College. Vanaf zijn zeventigste levensjaar is hij gastdocent bij de Foudgumse School.

,,In onze jongste periode was het de gewoonte als docent na een jaartje of vijf naar elders te solliciteren. Als je een leuke school hebt met leuke leerlingen heb je geen reden om te verhuizen. Fryslân is ons goed bevallen en bevalt nog steeds goed. Hier hopen we over enige tijd ons diamanten huwelijk mee te maken.”

Het echtpaar heeft naast de twee kinderen nu vijf kleinkinderen en drie achterkleinkinderen met wie ze herinneringen kunnen ophalen.

Nieuws

menu